Volgens de Hoge Raad ziet artikel 6:89 BW niet op een vordering uit zuivere onrechtmatige daad

16 2019
apr

Artikel 6:89 BW luidt: “De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd.”

In het arrest van 13 juli 2018 ECLI:NL:HR:2018:1176 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de klachtplicht van artikel 6:89 BW enkel van toepassing is op vermeende gebrekkige prestaties (in de zin dat prestaties van een schuldenaar niet aan de verbintenis beantwoorden) en niet op een vordering uit onrechtmatige daad.

In deze zaak was de makelaar uit onrechtmatige daad aansprakelijk omdat in een van haar afkomstige, voor aspirant-kopers bestemde, verkoopbrochure informatie stond omtrent de woonoppervlakte van de woning die bij de aspirant-koper een onjuiste voorstelling van zaken had gewekt.

De Hoge Raad overwoog:

“De klachtplicht van artikel 6:89 BW heeft, evenals die van artikel 7:23 lid 1 BW bij een koopovereenkomst, betrekking op gebrekkige prestaties, dat wil zeggen prestaties van een schuldenaar (bij artikel 7:23 BW: prestaties van een verkoper) die niet aan de verbintenis beantwoorden. De klachtplicht ziet derhalve niet op een vordering uit onrechtmatige daad. Dat laatste is slechts anders indien de vordering uit onrechtmatige daad is gericht tegen de schuldenaar (bij artikel 7:23 BW: is gericht tegen de verkoper) en is gegrond op feiten die tevens de stelling zouden rechtvaardigen dat de prestatie niet aan de verbintenis beantwoordt (bij artikel 7:23 BW: niet aan de koopovereenkomst beantwoordt); zie onder meer HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733, NJ 2008/552, rov. 4.8.2 (Ploum/Smeets I) en HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR: 2017: 2902, NJ 2017/438, rov. 3.3.2 (MBS/Prowi).”

In dit geval kwam de verkopend makelaar derhalve geen beroep toe op artikel 6:89 BW.