V.O.F., eenmanszaak en de huwelijksgoederengemeenschap

31 2019
jan

Een misverstand is dat de vennootschap onder firma (hierna: V.O.F.) tot de (te verdelen) huwelijksgoederengemeenschap behoort. Het Hof Den Haag heeft zich hierover in het arrest d.d. 25 april 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:1806) uitgesproken.

Als de man en de vrouw op de peildatum van 30 september 2009 met elkaar een vennootschap onder firma hadden, wordt deze vennootschap in beginsel niet ontbonden door de ontbinding van de wettelijke gemeenschap van goederen. Het vermogen van een vennootschap onder firma valt in een gebonden gemeenschap en is een afgescheiden vermogen. Het aandeel in het vennootschappelijk vermogen valt niet in de wettelijke gemeenschap van goederen maar slechts de waarde daarvan, ofwel de economische gerechtigdheid (Hoge Raad 15 december 1961, NJ 1962/48).

Het hof gaat ervan uit dat de vennootschap onder firma vóór 30 september 2009 tussen de man en de vrouw is ontbonden en dat de man de in de vennootschap onder firma geëxploiteerde onderneming in de vorm van een eenmanszaak heeft voortgezet.

Een eenmanszaak is geen goed dat in de wettelijke gemeenschap van goederen valt en kan als zodanig niet worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa en passiva valt in de wettelijke gemeenschap van goederen. De activa kunnen worden verdeeld. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. In het kader van de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap zijn in beginsel beide partijen ieder voor de helft draagplichtig met betrekking tot de schulden ook als deze verband houden met de exploitatie van een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Voor de omvang van de schulden zijn in beginsel relevant de schulden die op 30 september 2009 bestaan. Een schuld behoeft in beginsel niet te worden gewaardeerd. Uitgegaan dient te worden van de nominale verplichting. Ter zake de waarde van de in de verdeling te betrekken activa geldt als uitgangspunt het tijdstip van de feitelijke verdeling (waarderingspeildatum), tenzij partijen een ander tijdstip met elkaar zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid zich tegen dat tijdstip verzetten.