Belastinglatentie bij scheiding

17 2018
mei

In het familierecht wordt regelmatig de vraag gesteld aan advocaten op welke wijze moet worden omgegaan met een belastinglatentie. Deze in de toekomst te betalen belasting vermindert de waarde van vermogensbestanddelen bij een echtscheiding.

De Hoge Raad heeft in de beschikking d.d. 23 februari 2018 een belangrijke uitspraak gedaan over de wijze van vaststellen van een belastinglatentie bij lijfrentepolissen (HR 23 februari 2018, NJ 2018/129).

Partijen gingen bij de afwikkeling van hun echtscheiding ervan uit dat tussen hen moest worden afgerekend alsof tussen hen een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan. Partijen moesten met elkaar afrekenen met inachtneming van de peildatum 1 maart 2009.

Het hof heeft de afkoopwaarde van de lijfrentepolissen op de peildatum van 1 maart 2009 als uitgangspunt genomen voor de berekening van de te verdelen waarde. Daarmee wordt, zij het fictief, uitgegaan van uitkering van de waarde op die datum. Dat brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor de berekening van de daarop in mindering te brengen belastingvordering ervan moet worden uitgegaan dat de belasting op de peildatum wordt verschuldigd over de op dat tijdstip uitgekeerde afkoopwaarde. De Hoge Raad gaat derhalve uit van het tarief aan belastingen dat op het moment van verdeling verschuldigd zou zijn, en niet van een tarief dat in de toekomst verschuldigd zou zijn of naar de contante waarde op de peildatum.

Is bij een echtscheiding een belastinglatentie aan de orde dan is deze uitspraak belangrijk om rekening mee te houden.