Alimentatieschuld heeft geen invloed gehad op draagkracht alimentatieplichtige

01 2018
mei

In de uitspraak van de Hoge Raad van 20 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:653) kwam de rechtsvraag aan de orde of bij de berekening van de draagkracht van de man ten onrechte rekening is gehouden met een schuld ter zake van achterstallige alimentatie.

Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. In r.o.v. 5.11 overweegt het hof dat het uitgaat van de door de man onweersproken gestelde schulden van € 68.000,-- aan vrienden. Daarbij acht het hof van belang dat niet is gebleken dat deze schulden nodeloos zijn aangegaan of dat de man de mogelijkheid heeft zich van deze schulden te bevrijden of hiervoor een betalingsregeling te treffen. In verband met dat laatste neemt het hof in aanmerking dat op de uitkering van de man beslag is gelegd door het LBIO, zodat hij rond moet zien te komen van een bedrag van € 700 à € 800,-- per maand. Daarmee bedoelt het hof klaarblijkelijk dat, gelet op dat beslag, niet onaannemelijk is dat de man voormelde schulden heeft moeten maken en geen mogelijkheid heeft zich daarvan te bevrijden of daarvoor een betalingsregeling te treffen.

Ook uit r.o.v. 5.12 blijkt dat het hof de alimentatieschuld waarvoor het LBIO beslag heeft gelegd niet als schuld bij de berekening van de draagkracht van de man in aanmerking heeft genomen. Volgens de Hoge Raad overweegt het hof daarin immers dat het uitgaat van de schuldenlast van € 68.000,-- en een aflossing daarop van € 500,-- per maand.

Hoewel de hoofdregel is dat met alle schulden uit de huwelijkse periode rekening wordt gehouden bij het bepalen van de draagkracht, werd in dit geval met de alimentatieschuld waarvoor het LBIO beslag heeft gelegd geen rekening gehouden bij de berekening van de draagkracht van de man.